Prins Mauritsschool Delft

Aanmelding van nieuwe leerlingen - Hoogbegaafdheid - Hulpklas - Zorg op school - Hulpplan

Aanmelding van nieuwe leerlingen

Algemeen

Wanneer ouders of verzorgers hun kind willen aanmelden, worden zij uitgenodigd voor een kennismakingsgesprek.
Indien mogelijk is het kind hierbij aanwezig. Tijdens het gesprek komen o.a. de levensbeschouwelijke identiteit en de onderwijskundige uitgangspunten van de school aan de orde.
Van de ouders/verzorgers wordt gevraagd dat zij door middel van ondertekening van het inschrijfformulier de grondslag en de doelstelling van onze stichting onderschrijven, dan wel respecteren.

Bij de toelating worden afspraken gemaakt over de ouderbijdragen.

De toelating is niet afhankelijk van het houden van rechtmatig verblijf in het kader van de vreemdelingenwet.

Aanmelding van nieuwe leerlingen:

In het algemeen zijn de volgende situaties mogelijk:

  • Leerlingen jonger dan vier jaar.
  • Leerlingen, ouder dan vier jaar, die zich vestigen in het voedingsgebied van de school. Dit voedingsgebied is mede gekoppeld aan de mogelijkheden van georganiseerd leerlingenvervoer.
  • Leerlingen afkomstig van een andere basisschool uit het voedingsgebied.
  • Leerlingen van een speciale school voor basisonderwijs (SBO) of andere scholen voor speciaal onderwijs die teruggeplaatst worden naar het reguliere basisonderwijs.
  • Leerlingen met een beperking (visueel gehandicapten, auditief gehandicapten, verstandelijk, lichamelijk en meervoudig gehandicapten, langdurig zieken en kinderen met psychiatrische stoornissen en ernstige gedragsproblemen). Het gaat dus om kinderen afkomstig uit de clusters 1 t/m 4 zoals omschreven in de Wet op de Expertisecentra.

Hoogbegaafdheid

Ieder kind is uniek en willen we de kans geven zijn of haar mogelijkheden te benutten.
We willen voorkomen dat hoogbegaafde of hoogintelligente kinderen ondersneeuwen en daardoor gaan onderpresteren.
We willen klassendoorbrekend denken. Onderwijskundig gezien denken we dan aan de volgende zaken:
Versnellen ook halverwege een schooljaar.
Per vak willen we de leerstof indikken en verrijkend materiaal aanbieden.

We willen de volgende eisen aan ons beleid stellen:
We willen de kinderen pedagogisch en onderwijskundig op hun eigen niveau benaderen.
Het plan moet daarom een globale strategie voor een individueel verrijkings- en verbredingsprogramma bieden.
We moeten de leerlijnen volgen van de klas binnen een apart (versneld en ingedikt) programma.
Na zorgvuldig bestuderen en uitproberen van het SIDI protocol hebben we besloten dat we dit protocol willen toepassen als protocol voor onze school. We hebben in het cursusjaar 2001/ 2002 het boek en het protocol nauwkeurig naast elkaar gelegd en hebben het SIDI protocol aangepast aan de situatie die bij ons op school wenselijk is.
In het cursusjaar 2002/ 2003 heeft het team een implementatiecursus gevolgd.

De werkwijze van het SIDI protocol

  • Signaleringsfase


    De eerste fase is de signaleringsfase.

    Het intake of verkennend gesprek


    Ongeveer 6 weken voordat een kind naar school komt hebben de ouders een gesprek met de eigen juf van groep 1. De leerkracht vult een formulier in met de samenvatting van dit gesprek. De ouders wordt gevraagd een menstekening en vrije tekening van het kind mee te nemen. Na 6 weken schoolbezoek gaat de eigen leerkracht van op huisbezoek en bespreekt het formulier, de tekeningen en vertelt over de eigen ervaringen met de leerling. De tekeningen geven ons informatie over de algemeen ontwikkeling van de leerling. Bij een hoogbegaafd kind kan het zijn dat het zich in de klas binnen 2 weken heeft aangepast en heel anders gaat tekenen. Een terugval in het tekenen kan een signaal zijn voor aanpassen en onderpresteren en een eventuele hoogbegaafdheid.

    Bij een tussentijdse binnenkomst voert de leerkracht het gesprek en na zes weken gaat de meester of juf op huisbezoek.

    De groepssignalering


    De leerkrachten vullen na de herfstvakantie en voor de rapportbespreking een observatielijst in. Dit kan een signaal geven dat een leerling hoogintelligent is. Ook ouders kunnen naar de leerkracht toe aangeven dat ze denken dat hun zoon of dochter een ontwikkelingsvoorsprong heeft.

    Nominatie door medeleerlingen (groep 6 t/m 8)


    In het SIDI protocol is een formulier met 3 vragen die leerlingen kunnen invullen. Een van de vragen is" je krijgt een moeilijke taalopdracht, die meetelt voor je rapport. Je mag samenwerken met een klasgenoot. Wie kies je uit?"

    Afgelopen cursusjaar hebben de groepen 6 t/m 8 deze vragen beantwoord, de leerkrachten hebben het gevoel dat de kinderen dit heel sociaal invullen en voor vrienden kiezen. Komend cursusjaar wordt deze manier van signaleren opnieuw toegepast. De vraagstelling wordt gewijzigd om sociaal kiezen te voorkomen. Daarna wordt er geęvalueerd. Er wordt gekeken of de nieuwe vorm wel het gewenste resultaat oplevert.
  • De diagnosefase


    Het oudergesprek


    Er vindt een gesprek met ouders plaats aan de hand van een formulier. De leerkracht vat het gesprek samen op een ander formulier. Er worden vragen gesteld over o.a. de taalvaardigheid, de rekenvaardigheid en de spelvaardigheid.

    Observatie van de leerling


    In groep 1 t/m 3 observeert de leerkracht de leerling op dezelfde vaardigheden en beantwoord vervolgens 42 vragen.

    De leerlingvragenlijst


    In groep 4 t/m 8 vult de leerling zelf een vragenlijst in. De vragen gaan o.a. over zijn welbevinden, verveling, zelfbeeld en hobby's.

    Vervolgens worden de toetsgegevens die bekend zijn opgezocht en op een formulier genoteerd. Dit is een verzamellijst van de CITO toetsen. Er worden nu ook extra toetsen afgenomen om te kijken wat het didactisch niveau van het kind is. Er wordt net zolang doorgetoetst met een steeds moeilijker toets tot de leerling een C score heeft. Dat is namelijk het punt waar hij leerbaar is. De uitslagen worden allemaal genoteerd op de verzamellijst. Zo is in een oogopslag zichtbaar wat de voorsprong van de leerling is.

    In deze fase kan er op sociaal emotioneel gebied onderzocht worden via o.a. de licorlijst. Dit is een lijst die de leerkracht invult. Het zijn 55 vragen die beantwoord kunnen worden met altijd tot nooit. Deze lijst wordt dan geanalyseerd waarbij zichtbaar wordt of er gedragaspecten zijn met een kritische score. De uitslagen kunnen signalen geven van bijvoorbeeld ongemotiveerdheid of teruggetrokken gedrag. Het PDO is een ander type lijst waar ook voor gekozen kan worden.

    Wanneer de informatie nog niet voldoende is kan de leerkracht samen met de Ib'er besluiten om de Sibel in te vullen. De Sibel is een observatielijst van 71 items waarmee informatie naar bovenkomt over o.a. de cognitieve vermogens, de creatieve vermogens en andere intelligente vaardigheden.

    Op deze manier kan de begaafdheid nog verder in beeld worden gebracht. Sibel is overigens de afkorting van signaleren en identificatie van begaafde leerlingen.

    Mochten er nu nog onduidelijkheden en vragen blijven dan kunnen externe deskundigen geraadpleegd worden. Ouders bekostigen de externe deskundigen zelf. De school investeert veel geld in materiaal en lessen.
  • De uitvoeringsfase.


    Het plan van aanpak.

    De volgende aanpakken komen op onze school het meeste voor:

    De leerling gaat werken met een weekrooster

    Hij krijgt de methode toetsen vooraf en maakt alleen datgene uit de methode wat hij niet beheerst. De overige tijd werkt de leerling met verbredings- en of verrijkingsstof. Verbreden houdt in dat je meer over een onderwerp aanbiedt dan dat de methode doet. Verrijken houdt in dat je een heel ander onderwerp of vak aanbiedt aan de leerling.De orthotheek is de afgelopen 3 jaar enorm uitgebreid met deze materialen. In de hulpklas kunt u vanavond deze materialen inzien. Dit kan op een vak maar ook op meerdere vakken betrekking hebben. Het is van groot belang om de verbredings- en of verrijkingsstof niet als extra werk te benoemen. Het is voor deze leerling reguliere stof geworden en het wordt becijferd en komt het rapport.

    In groep 1 en 2 krijgt de leerling andere opdrachten bij de ontwikkelingsmaterialen.

    De leerling kan ander materiaal worden aangeboden, de opdrachten bij de werkles kunnen worden aangepast op het niveau van het kind. En er worden hoeken gecre'erd voor de leerling met werk op niveau.Dit alles vraagt veel organisatorische talent van de leerkrachten.

    De leerling gaat versnellen

    Dit kan per jaar of per vak. Er is al nauwkeurig onderzocht doormiddel van toetsen op welk niveau de leerling didactisch zit. Via het analyseren van de toetsen wordt zichtbaar waar eventuele hiaten zitten. Deze hiaten worden aangeboden. Zo weten we zeker dat de leerling alle stof beheerst en gehad heeft, de leerling kan versnellen. Uiteraard vinden dit soort beslissingen plaats in zorgvuldig overleg met de ouders, directie en de leerkrachten. We hebben als school besloten minder snel te gaan versnellen en meer te kiezen voor het verbreden. Het versnellen blijkt in de praktijk soms lastig aan te sturen en de overstap naar het voortgezet onderwijs kan problemen opleveren. Bij versnellen worden ook nadrukkelijk de geboortemaand, de sociaal emotionele ontwikkeling en de fysieke gesteld van het kind meegenomen.

    Op woensdagmorgen krijgen een aantal kinderen in projectvorm les op zolder.

    Een aantal leerlingen krijgen 3 of 4 keer per jaar een dagdeel les van Wendy. De leerlingen worden dan vooral op sociaal en emotioneel gebied weerbaarder gemaakt. Afgelopen jaar waren de groepen te groot. Het komend jaar zal er gewerkt worden met 2 groepen en krijgt de leerkracht meer informatie en begeleiding van Wendy.

    Om vast te stellen welke leerlingen aan deze dagdelen mogen deelnemen zijn de volgende criteria vastgesteld:

    Een testuitslag waaruit hoogbegaafdheid blijkt.
    Signalering en/of groepssignalering via het SIDI protocol.
    De leerkracht geeft aan dat deelname wenselijk is.
    De toetsuitslagen bij het CITO LVS en de methodegebonden toetsen

    Verbreding

    Het aanbieden van een vreemde taal. Een paar kinderen hebben Russische en Hebreeuwse lessen gevolgd op school. Het plan van aanpak blijft voor de school continue een punt van groeien, aanpassen en materiaal aanschaffen. Een echte hoogbegaafde leerling gaat razendsnel en verveelt zich ook weer snel.

    Gezien de grote groep met "slimmeriken" op de Prins Mauritsschool zal dit in de toekomst steeds leiden tot verder zoeken en uitproberen. Een boeiend proces waarbij soms veel lef nodig is.

Hulpklas

Na toetsing of signalering van de leerkracht kan blijken dat een leerling veel moeite met de stof heeft. Deze leerling wordt dan in de klas extra hulp gegeven.
Maar er zijn ook kinderen, die uitvallen op een bepaald vakgebied en niet in de klas geholpen kunnen worden, kunnen naar de hulpklas gaan.
Daar krijgen ze les van de remedial teacher (RT-er).

De remedial teacher

De remedial teacher is een leerkracht die middelen aanreikt om een niet op gang komend of stagnerend schools leerproces (weer) zo goed mogelijk te laten verlopen, maar zorgt ook voor preventie van leerproblemen.

Om de kinderen die uitvallen zo goed mogelijk te begeleiden,
hebben we de volgende procedure:

  • Signaleren:De leerkracht signaleert een probleem met het werk in de klas.
  • De leerling wordt dan in de leerlingbespreking besproken.
  • In overleg met de Intern begeleider (IB-er) en RT-er komt de leerling in aanmerking voor Remedial Teaching.
  • Die hulp wordt gegeven in de hulpklas.
  • Diagnosticeren: diagnose van het probleem, er wordt hierbij een handelingsplan opgesteld
  • Behandelen: uitvoering handelingsplan
  • Evalueren: evaluatie handelingsplan

Wie krijgen Remedial Teaching?

Dit zijn kinderen met de volgende specifieke leerproblemen: Taalproblemen

  • Spellingsproblemen
  • Leesproblemen
  • Rekenproblemen
  • Motorische problemen

Zorg op school

In het afgelopen schooljaar bent u geďnformeerd over de toetskalender. Toetsen zijn bedoeld om een objectief beeld van de ontwikkeling van de kinderen te laten zien. Meestal klopt dit met het beeld wat de leerkracht al van het kind had. De leerkracht vormt zich een beeld van een kind door de dagelijkse omgang met het kind, door in de eerste plaats het kind te observeren.

Kinderen laten ontzettend veel van zichzelf zien door hun gedrag en houding. Ze gedragen zich zoals ze zich voelen, zoals ze zijn. Als een van zichzelf vrolijk kind 's morgens zonder een woord te zeggen, zonder op of om te kijken, de klas binnen komt, is er zeker iets aan de hand. Dat moet de leerkracht bij binnenkomst al opvallen. Er kunnen allerlei redenen zijn waarom een kind niet lekker in zijn vel zit. Misschien problemen thuis; een nare gebeurtenis onderweg naar school; misschien is het kind ziek; of de hond is dood. Een kind hoort vrolijk en opgeruimd te zijn. Deze houding van het kind (en datgene wat hieraan ten grondslag ligt) kan er de oorzaak van zijn dat het die dag niet goed oplet en zijn werk niet goed doet of een repetitie niet goed maakt.

Het observeren van de werkhouding vertelt ons hoe het kind omgaat met taken die hem worden gesteld. Kan het goed met afspraken omgaan, hoe is de kwaliteit/kwantiteit van de gemaakte taak, is de taakgerichtheid voldoende, waardoor is het kind snel afgeleid, hoe reageert het op correcties? De observatielijst van Pravoo is een zeer uitgebreide, die van begin groep 1 tot en met begin groep 3 door ons wordt ingezet. Kinderen worden op tal van aspecten geobserveerd.

Het schoolplein is uitermate geschikt om het gedrag van een kind te observeren. Het plein is niet alleen een speelplaats waar de kinderen heen gestuurd worden zodat de leerkrachten met koffie achterover kunnen zitten. Met name op het plein vertellen kinderen veel over zichzelf. Heeft het kind vrienden? Hoort het bij de groep? Is het een meeloper of een leider? Is het kind sociaal? Gericht op de ander of alleen op zichzelf? Hoe reageert het op inbreng van anderen? Wat is de inbreng in de groepssfeer? Durft het corrigerend op te treden? Hoe reageert het op verkeerde initiatieven van anderen? Hoe is de kwaliteit van het spel? Heeft het kind fantasie? De leerkracht zal signalen serieus nemen en alert blijven.

Het is de taak van de leerkracht met dit kind in gesprek te gaan en er achter te komen wat er de oorzaak van is dat het kind zich gedraagt zoals het zich gedraagt. Dat betekent dat de leerkracht moet zorgen voor een warm persoonlijk contact met kinderen, hij moet een vertrouwde omgeving creëren waarin het kind zich veilig en gerespecteerd voelt. Hij moet interesse in het kind tonen, het kind laten ervaren dat het er mag zijn zoals het is. Soms komen er dan wel eens verhalen boven waarvan de ouders niet eens op de hoogte zijn en waarvan de kinderen niet willen dat de ouders ze weten. Zijn dit signalen die iets zeggen over de openheid en de veiligheid van het klimaat thuis? Het is zo belangrijk met uw kinderen te praten, interesse te tonen in hun persoon en bezigheden, ze te accepteren zoals ze zijn met hun sterke en zwakke kanten, kinderen moeten met hun verhalen en vragen bij de ouders terechtkunnen. Het is niet goed als de leerkracht meer vertrouwen krijgt van het kind dan de ouders. Dan zit er duidelijk iets verkeerd! Ouders hebben daar in de eerste plaats recht op, maar ze moeten het blijkbaar ook verdienen!

Door opvallende zaken te noteren en met elkaar te vergelijken, door gesprekjes met kinderen en door het dagelijkse correctiewerk vormt een leerkracht zich een beeld van een kind. Mocht een kind anders presteren dan op grond van zijn ontwikkeling mag worden verwacht zal de leerkracht in gesprek met het kind zoeken naar oorzaken van de afwijking van het normale ontwikkelingspatroon. Wat vind je leuk, wat vind je niet leuk? Wat vind je moeilijk en wat niet? Is het te moeilijk of te makkelijk? Waar ben je goed in? Welke manier van werken spreekt het meest aan? Begrijp je de uitleg?

Kinderen moeten soms wennen aan dit soort vragen waarbij ze moeten graven in zichzelf, maar kunnen over het algemeen goed met dit soort reflecterende vragen omgaan. Ze worden serieus genomen, er wordt aan hun probleem gewerkt. Dat geeft hun het gevoel te mogen zijn wie ze zijn in de wetenschap onderwijs te krijgen wat bij ze past.

De leerkracht gaat aparte zorg aan kinderen besteden. Een breed scala aan ontwikkelingsmateriaal staat tot zijn beschikking in de orthotheek. Hiermee gaat hij voor een periode van een aantal weken aan de slag.

In bovenstaand verhaal komt u de drieslag van het zgn. adaptieve onderwijs weer tegen: relatie (met de leerkracht en leerlingen), competentie (de leerling beantwoordt aan de eisen die aan zijn taken worden gesteld), zelfstandigheid (het is een taak die bij zijn persoon past en die hij zelf moet afwerken).

Soms is de zorg die een leerkracht aan kinderen besteedt niet afdoende. De problemen die een kind heeft zijn complexer. In die gevallen wordt een op het kind/de kinderen afgestemd hulpplan opgesteld.

Naast de cognitieve ontwikkeling is het ook heel belangrijk dat we de sociaal-emotionele ontwikkeling goed blijven volgen. Zitten kinderen lekker in hun vel? Hebben ze moeite met het maken van vrienden? Kunnen ze over gevoelens praten? Wordt er gepest? Een aantal leerkrachten heeft een uitgebreide SOVA (Sociale Vaardigheden) training gevolgd. Er zal aandacht geschonken worden aan het pesten op school. Helaas komt dit ook bij ons op school voor. Leerkrachten worden toegerust om het probleem pesten eerder te herkennen en daar ook daadwerkelijk iets aan te doen. Het streven is te komen tot een schoolprotocol tegen pesten. Met duidelijke afspraken over het omgaan met het probleem pesten.

De lessen sociaal-emotionele vorming (SOEM) zullen worden toegespitst op diverse thema's. Enkele jaren geleden is hiervoor een goede methode aangeschaft. Binnen de federatie zijn SEVO-lessen ontwikkeld. Deze lessen gaan over seksuele weerbaarheid. Deze lessen zullen aan alle klassen worden gegeven. Sommige kinderen hebben een steuntje in de rug nodig in hun sociaal-emotionele ontwikkeling.

Juf Jans is hiervoor per week é;é;n dagdeel ingeroosterd.

Hulpplan

Het hulpplan is een formulier waarop concreet wordt verwoord wat er met een kind aan extra zorg wordt gedaan. We beginnen met een fictief hulpplan:
Formulier
Een hulpplan wordt opgesteld als de leerkracht met zijn zorg in de klas met een kind niet datgene bereikt wat hij zou willen. Meestal is daar behoorlijk wat aan vooraf gegaan. Het doel van het opstellen van een hulpplan is om specifiek op het kind in te zoomen en de hulp optimaal af te stemmen en te evalueren en er verdere consequenties uit te trekken. Mocht het met een kind onverhoopt toch niet goed lukken op het reguliere basisonderwijs, dat kunnen de handelingsplannen dienen als een soort verantwoording naar het Speciaal Basisonderwijs van wat we allemaal met het kind hebben gedaan. We tonen daarmee aan wat we gedaan hebben om het kind binnen onze eigen school te houden.

Om te beginnen natuurlijk de meest basale gegevens: over wie gaat het eigenlijk. Ook wordt u als ouders daarbij genoemd omdat wij vinden dat, zodra een kind inhoudelijk van het normale lespatroon afwijkt, u daarvan op de hoogte gesteld moet worden. Er worden ook eventuele instanties genoemd die al eerder het kind hebben onderzocht, of die met dit plan instemmen. Dat kan gebeuren als we bijvoorbeeld voor een kind met een rugzak een plan opstellen in samenwerking met één van de expertisecentra van het Speciaal Onderwijs. Soms is er door OnderwijsAdvies al eens een onderzoek gedaan. U mag best weten: het is al een aantal malen voorgekomen dat een externe instantie aangaf dat eigenlijk alles wat aan extra hulp voor een kind ingezet kan worden, al gedaan was. Dat geeft iets aan van de manier waarop wij met uw kinderen aan het werk zijn.

Voordat we beginnen met het samenstellen van een op het kind afgestemde leerlijn is het nodig te weten wat er al met het kind is gedaan. De leerkracht beschikt over een breed scala aan hulpmaterialen op divers gebied. Wellicht is er al eerder een hulpplan voor dit kind opgesteld of is het kind al eens in de leerlingbespreking geweest (daarover een volgende keer). Die informatie wordt betrokken bij het nieuw op te stellen hulpplan.

Als een leerkracht aan een kind veel zorg heeft besteed wat geen effect heeft gehad, moet het probleem nader onderzocht worden. De leerkracht verdiept zicht in het probleem en gebruikt instrumenten om het probleem op te sporen. Hij verdiept zich in het proces van leren zoals de leerling zich dat in de loop van de jaren heeft eigen gemaakt. Hij maakt daarbij gebruik van het LVS, het leerlingvolgsysteem. Daarin worden de vorderingen op leergebied van de kinderen bijgehouden. Op basis van die resultaten wordt de leerstof op het kind afgestemd. Waar en wanneer is het in dat proces mis gegaan? Op dat punt moet de hulp gericht zijn. Als het duidelijk is waar het in het leerproces mis is gegaan, wordt een hulpvraag geformuleerd: wat is kort samengevat eigenlijk het probleem? Als dat duidelijk is focussen we verder in het op kind. Niet elke vorm van hulp zal namelijk aansluiten bij een kind. Elk kind heeft sterke en zwakke kanten. We maken gebruik van de sterke kanten en vermijden zo veel mogelijk aanspraken op zwakke kanten van het kind, zodat die geen "bedreiging" vormen voor de hulp.

Nu zijn het leerprobleem en de kindkenmerken in kaart gebracht. Het is tijd om na te denken over wat je wilt bereiken met je hulp. Het is belangrijk om haalbare doelen te stellen. Vaak wordt dan een overkoepelend doel gesteld, onderverdeeld in subdoelen. Je wilt daarmee aangeven in welke deelstappen je het bovenliggende doel wilt bereiken, rekening houdend met de kindkenmerken. Te hoge en te grote doelen zijn voor de leerling frustrerend. We moeten zorgen voor succeservaringen zodat het kind gemotiveerd is verder te leren. Na een periode van frustratie op frustratie is het goed voor een kind te merken dat het wél kan leren.

Als het doel bekend is, gaan we kijken hoe we de hulp in het vat gaan gieten. Het moet ingepast gaan worden in de praktijk van alle dag. Soms moet daarvoor organisatorisch een aanpassing worden gedaan. We maken afspraken over welke materialen op welke manier ingezet gaan worden. Elk materiaal heeft zijn eigen aanpak. Die aanpak is erop gericht om met dat specifieke hulpmateriaal het meeste rendement te krijgen. Die aanpak kan anders zijn dan de methode die de leerkracht voor de rest van de groep hanteert. De leerkracht zal zich daarin moeten verdiepen.

Afhankelijk van de keuze van aanpak en de ernst van het probleem kan besloten worden dat het kind in de hulpklas wordt geholpen. Daarover een volgende keer meer. Het kan voorkomen dat een aantal kinderen met hetzelfde probleem kampt. In dat geval maken we geen afzonderlijke hulpplannen, maar worden die kinderen geclusterd in een groepsplan.

Tenslotte bepalen we een tijdstip waarop deze hulp wordt geęvalueerd. Meestal gebeurt dat na 6 tot 8 weken door het afnemen van een tussentijdse (methodische) toets. Tijdens dat gesprek volgen we de aandachtspunten van onderstaand formulier:
Formulier
Er wordt verslag gedaan over de geboden hulp in de klas of bij de remedial teacher in de hulpklas. Sloot de hulp aan bij het kind, hoe heeft het kind het zelf ervaren, heeft het kind iets geleerd, waren de didactische materialen geschikt?

En natuurlijk: hebben we bereikt wat we wilden? Zo ja, kan het kind weer verder met het reguliere programma van zijn groep? Waarmee moet je dan rekening houden? Zo niet, zijn er nog deeldoelstellingen niet bereikt? Wat is daarvan de reden? Hoe gaan we verder? Hoe stemmen we de hulp nog beter op het kind af?

Als er besloten wordt nog verder met het kind te gaan, komen opnieuw de aandachtspunten uit het hulpplan langs: doelstellingen, afspraken en evaluatie. Er wordt in dat geval dus niet opnieuw een handelingsplan ingevuld, maar de aanpak wordt verwoord op dit evaluatieformulier. Opnieuw gaan we met het kind aan het werk. Op hoop van zegen.